Deze informatie is afkomstig van HartWijzer.nl, een website samengesteld door de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC). Van de onderstreepte onderwerpen is op HartWijzer.nl een afzonderlijke tekst te vinden.
NUCLEAIRE SCAN
‘Nucleaire scan’ is een verzamelnaam voor beeldvormende technieken die gebruik
maken van radioactiviteit. Een nucleaire scan is vooral geschikt om beweging en
verandering in beeld te brengen, zoals de bloedstroom door het hart of de stofwisseling
in de hartspier.
Degene die een nucleaire scan ondergaat krijgt van tevoren een injectie met licht
radioactief materiaal dat wordt opgenomen in de bloedsomloop. Kort na de
injectie zitten de radioactieve deeltjes overal in het bloed, ook in het hart. Een nucleaire
camera neemt de radioactiviteit waar, zoals een Geigerteller. Op de afbeelding
zijn de radioactieve gebieden zichtbaar als scherpe, gekleurde vlekken. Als een
soort stripverhaal worden de afbeeldingen naast elkaar geplaatst om de kleur en de
grootte van de vlekken in verschillende fasen te kunnen vergelijken.
Verschillende soorten radioactieve deeltjes geven verschillende resultaten op de
scan. Een bepaald type radioactieve deeltjes komt in het weefsel terecht, wat de
stofwisseling in beeld brengt.
Het gezondheidsrisico van de radioactieve deeltjes is beperkt omdat de radioactiviteit
snel verdwijnt. De deeltjes blijven net lang genoeg radioactief om de afbeeldingen
te kunnen maken.

| |
Licht radioactieve stoffen in de bloedsomloop worden door een nucleaire scanner waargenomen en tot
afbeeldingen gevormd. Tijdens het onderzoek lig je op een onderzoekstafel.
|
SPECT en PET
Voor het onderzoek naar hartziekten worden twee soorten nucleaire scanners gebruikt: de
SPECT-scan en de PET-scan. Deze geven minder gedetailleerde beelden dan een MRI-scan of een CT-scan. De afbeeldingen van spect- en de PET-scan zijn onduidelijk en vlekkerig
en geven hun informatie vooral door de afbeeldingen in serie onderling te vergelijken.
Beide scanners maken opnames vanuit verschillende hoeken.
Een SPECT-scan komt het meest voor. SPECT is een afkorting van Single Photon Emission
Computed Tomography, wat staat voor een computergestuurde doorsnede gemaakt met enkelvoudige
fotonen, de radioactieve deeltjes.
PET is een afkorting van Positron Emission Tomography. Een positron is een elektrisch geladen
deeltje. Een radioactieve stof die in de bloedsomloop is geïnjecteerd, geeft positronen af.
Zo’n positron botst met andere deeltjes waarbij er radioactieve straling ontstaat in de vorm
van twee fotonen. PET wil dus zeggen een doorsnede gemaakt met straling uit positronen.
Een PET-scan is gedetailleerder dan een SPECT-scan en kan worden gecombineerd met anatomische
plaatjes van een CT-scan of een MRI-scan.
MPS: doorbloeding van de hartspier
Een SPECT-scan wordt vaak gebruikt om de doorbloeding van de hartspier zichtbaar te maken.
De naam voor dit onderzoek is een Myocard Perfusie Scintigrafie (MPS). Myocard betekent
hartspier, perfusie is doorbloeding en scintigrafie verwijst naar het onderdeel dat de radioactieve
straling omzet in kleine lichtflitsjes (scintillaties) die nodig zijn om een afbeelding te
maken.
Een MPS is een scan van de doorbloeding van de hartspier tijdens inspanning en in rust.
Licht radioactieve stoffen in de bloedsomloop worden door een nucleaire scanner waargenomen en tot
afbeeldingen gevormd. Tijdens het onderzoek lig je op een onderzoekstafel.
Daarmee is de MPS de grote broer van de inspanningstest. Als je niet in staat bent om te
fietsen, kan de inspanning worden nagebootst met medicijnen, het zogenoemde ‘chemisch
fietsen’.
Als je pijn hebt op de borst geeft MPS meer duidelijkheid over het risico op een hartinfarct dan de inspanningstest. Is het MPS normaal, dan is verder onderzoek meestal niet
nodig en kun je gerustgesteld naar huis. Is het MPS niet normaal, dan volgt vaak een hartkatheterisatie om de kransslagaders op vernauwingen te controleren.
Een alternatief voor een MPS is inspanningsechocardiografie.
Levensvatbaarheid van de hartspier na een hartinfarct
Na een hartinfarct is de hartspier verzwakt op de plaats waar de spiercellen te weinig
zuurstof hebben gekregen. Soms zijn de spiercellen in staat om zich te herstellen, soms kunnen
ze dat niet en ontstaat er littekenweefsel. Hoe meer levensvatbare spiercellen, hoe beter.
De medische term voor de levensvatbaarheid van de hartspier is myocardviabiliteit. Deze
wordt onderzocht via een PET-scan met speciale radioactieve deeltjes die door de levende
spiercellen in het hart worden opgenomen. De deeltjes worden niet opgenomen door littekenweefsel.

| |
Nucleaire scan doorbloeding hartspier
Een Myocard Perfusie Scintigram is een nucleaire scan die de doorbloeding van de hartspier laat zien.
De hartspier is opgedeeld in doorsnedes. De contouren van de doorsnede wijken af als de doorbloeding
niet goed is.
A. Hartspier met goede doorbloeding tijdens inspanning (I) en in rust (R)
B. Slecht doorbloede hartspier tijdens inspanning (I) en zich herstellend in rust (R)
| |
Radioactiviteit: een
natuurlijk verschijnsel
Radioactiviteit is een natuurlijk verschijnsel.
Een lichte radioactieve straling
is overal: in de ruimte, de atmosfeer
en de aarde, zelfs in het lichaam zelf.
Radioactiviteit ontstaat door veranderingen
in de samenstelling van bepaalde
atomen. Tijdens het proces van
verandering zijn de atomen radioactief
en zenden ze radioactieve straling uit.
Bij sommige atomen voltrekt het proces
zich in enkele uren, bij andere duurt
het langer. Atomen die spontaan van
samenstelling veranderen zijn overigens zeldzaam – verreweg de meeste atomen zijn stabiel en onveranderlijk.
De snelheid waarmee het atoom radioactieve deeltjes uitzendt, wordt uitgedrukt in de
halfwaardetijd – de tijd waarin de radioactiviteit met de helft afneemt. Radioactiviteit kan
schadelijk zijn voor mensen, maar voor nucleaire scans wordt licht radioactief materiaal gebruikt,
met een korte halfwaardetijd.

| |
Henri Becquerel ontdekte het verschijnsel van de radioactiviteit
bij toeval op een regenachtige dag.
|
Straling op een regenachtige dag
Het bestaan van radioactiviteit werd bij toeval ontdekt op een regenachtige dag door de
Fransman Henri Becquerel. Hij deed eigenlijk onderzoek naar fluorescentie, waarbij hij bepaalde
stoffen blootstelde aan zonlicht om daarna te bestuderen hoe ze licht bleven geven.
Maar op een dag in maart 1896 regende het en was er geen zonlicht. Becquerel legde zijn
gevoelige platen in een lade waarin zich toevallig ook een paar radioactieve kristallen bevonden.
Enige tijd later zag hij tot zijn verbazing dat de kristallen een afdruk op de platen hadden
achtergelaten, hoewel er geen zonlicht bij was geweest. In 1903 kreeg Becquerel de Nobelprijs
voor zijn ontdekking, samen met Marie en Pierre Curie die als eersten het nieuwe fenomeen
wetenschappelijk hebben onderzocht. De ontdekking van radioactiviteit zou leiden tot de
atoombom, kerncentrales en tot nucleaire scans voor medische doeleinden.