![]() |
|
ZOEK |
|
Deze informatie is afkomstig van HartWijzer.nl, een website samengesteld door de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC). Van de onderstreepte onderwerpen is op HartWijzer.nl een afzonderlijke tekst te vinden.
ICDEen ICD is evenals een pacemaker een klein apparaatje dat onder de huid wordt
geïmplanteerd bij mensen met een hartritmestoornis. Het verschil met een
pacemaker is dat een ICD kan ingrijpen bij een levensbedreigende hartritmestoornis
door een elektrische schok toe te dienen, waarna het hartritme normaliseert.
Direct levensbedreigend zijn vooral bepaalde hartritmestoornissen in de
kamers, niet in de boezems. Het chaotisch trillen van de hartspier in de kamers –
kamerfibrilleren – is in vier van de vijf gevallen de oorzaak van plotse hartdood.
ICD = Implanteerbare Cardioverter – DefibrillatorDe afkorting ICD staat voor Implanteerbare Cardioverter-Defibrillator. Implanteerbaar is iets
dat onder de huid kan worden aangebracht en een defibrillator is een apparaat dat een schok
kan produceren, ofwel defibrilleren. Een cardioverter is een apparaat dat een elektrische prikkel
kan afgeven om een afwijkend hartritme om te zetten (conversie) naar een normaal hartritme.
ICD versus medicijnenRond 1980, toen de eerste ICD’s werden geïmplanteerd, was niet iedereen overtuigd van het
nut. Een kostbaar apparaat implanteren dat alleen in een zeldzaam noodgeval iets doet? Is het
niet beter om het risico op een fatale hartritmestoornis te verminderen met medicijnen?
Want er bestaan ook medicijnen tegen hartritmestoornissen, de antiaritmica. Vervolgens
werd de behandeling met een ICD in een serie klinische trials vergeleken met een
behandeling met antiaritmica. De trials wezen uit dat het risico op een plotse hartdood
bij ICD-dragers kleiner was. Sindsdien is de behandeling met een ICD geaccepteerd.
Vier groepen met een verhoogd risicoIn grote lijnen zijn er vier groepen die onder bepaalde omstandigheden in aanmerking kunnen komen voor een ICD. Ze hebben gemeen dat ze een verhoogd risico hebben op een fatale hartritmestoornis, maar de oorzaak ervan verschilt. 1. De grootste groep wordt gevormd door mensen met een oud hartinfarct die daardoor een ernstig verzwakte hartspier hebben. Dat verhoogt het risico op een fatale hartritmestoornis zoals kamerfibrilleren. Een ICD kan dat risico verminderen. Mensen die na hun hartinfarct geen verzwakt hart hebben, komen niet in aanmerking. 2. Een tweede groep zijn mensen met cardiomyopathie, dat wil zeggen een verzwakking van de gehele hartspier die niet wordt veroorzaakt door een plaatselijke ziekte zoals een hartinfarct. De gehele hartspier betekent dat ook de spier in de kamerwand slapper is. In deze groep is het risico om te overlijden aan een plotselinge hartritmestoornis verhoogd. 3. Op de derde plaats komt de groter wordende groep van mensen met hartfalen. De verzwakte hartspier bij hartfalen vergroot het risico op een fatale hartritmestoornis. Bij deze groep kan naast een ICD ook een biventriculaire pacemaker worden geïmplanteerd, waarbij elektroden in de hartspier zorgen voor het gelijkmatig samentrekken van de linkerkamer. Biventriculair wil hier zeggen dat de pacemaker is verbonden met beide kamers van het hart. 4. De kleinste groep is die met een aangeboren hartziekte. Dit zijn vaak jonge mensen met een ziekte die weinig voorkomt. In bepaalde gevallen wordt bij deze mensen een ICD geïmplanteerd om hun risico op een plotse hartdood te verkleinen.
De implantatie van het apparaatjeEen ICD wordt evenals een pacemaker onderhuids aangebracht aan de voorkant van de
schouder onder het sleutelbeen. Een ICD is iets groter dan een pacemaker, maar veel scheelt
het niet. De operatie is weinig belastend maar vereist wel een gehele of gedeeltelijke narcose.
Als alles op zijn plaats zit, wordt namelijk getest of de ICD werkt. Daarvoor is het noodzakelijk
om kunstmatig kamerfibrilleren op te wekken.
|
|