Deze informatie is afkomstig van HartWijzer.nl, een website samengesteld door de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC). Van de onderstreepte onderwerpen is op HartWijzer.nl een afzonderlijke tekst te vinden.
ECG (HARTFILMPJE)
Een ECG is een grafische weergave van de elektrische activiteit in de hartspier.
De letters ECG staan voor ElektroCardioGram. Het ECG is bekend als een ‘hartfilmpje’,
hoewel het eigenlijk meer registreert dan in beeld brengt.
Een ECG registreert de elektrische prikkel die de spiercellen in het hart laat
samentrekken.
Deze prikkel slaat in een domino-effect over van de ene spiercel op
de andere. Het prikkelgeleidingssysteem zorgt ervoor dat dit in de goede
volgorde gebeurt: eerst de boezems en dan, na een kort oponthoud, de kamers.
Gaat het niet goed, dan ontstaat er een hartritmestoornis.
De meeste hartziekten hebben gevolgen voor het prikkelgeleidingssysteem en
laten daarom sporen na op een ECG. Om een hartinfarct snel te kunnen
herkennen, is een ECG een belangrijk onderzoek.

| |
Het grafiekje van een ECG kun je vergelijken met een bergetappe. Verticaal staat op het grafiekje van de bergetappe
het hoogteverschil en op het ECG de kracht van de elektrische prikkel in voltage. Horizontaal staat bij
de bergetappe de afstand, op het ECG de duur in seconden.
|
Wat ziet een dokter op een ECG?
Een ECG geeft veel informatie over hartziekten. Is er wel sprake van een hartziekte? Of is het
een onschuldige afwijking? Is het een hartritmestoornis of gaat het om een hartinfarct
van jaren geleden? Bij pijn op de borst kan een ECG aantonen of die al dan niet veroorzaakt
wordt door angina pectoris.
Veel hartziekten worden pas zichtbaar op het ECG als het hart extra wordt belast. Daarom
wordt een ECG ook vaak afgenomen tijdens een inspanningstest.
Een ECG heeft talrijke toepassingen, zoals het monitoren van het hartritme in de ambulance
of op de intensive care. De meeste dokters en ziekenhuismedewerkers herkennen belangrijke
afwijkingen op het ECG zoals een hartinfarct. Maar andere hartziekten zoals een
hartritmestoornis of een hartinfarct uit het verleden zijn soms lastig te herkennen op een
ECG. Meestal is daar een cardioloog voor nodig.

| |
Een ECG met acht afleidingen: vier op de borstkas, twee op de bovenarmen en twee op de onderbenen.
|
Vaste punten op een ECG
De elektrische golf door het hart begint in de sinusknoop, een groepje spiercellen in het plafond
van de rechterboezem. Dit moment is niet op een ECG te zien. Op het moment dat de
prikkel begint, is de lijn geheel vlak en horizontaal. De eerste hobbel wordt veroorzaakt door
de elektrische activiteit die zich vanuit de sinusknoop door de boezems verspreidt. Deze hobbel
wordt de P-top genoemd. Dan wordt de lijn wordt weer vlak, omdat de prikkel even wordt
opgehouden in de AV-knoop. Vervolgens activeert de prikkel de sterke en dikke spier van de
beide hartkamers. Op dat moment is de elektrische activiteit het hoogst en ontstaat de opvallende
piek in het ECG. Het begin van deze piek wordt gemarkeerd met de letter Q, het hoogste
punt met de letter R en het eind met de letter S. De hele piek wordt het QRS-complex genoemd.
Na het QRS-complex wordt de lijn weer even vlak, waarna een tweede hobbel volgt. Deze
wordt veroorzaakt door de elektrische activiteit in de kamers als de hartspier zich herstelt en
voorbereidt op de volgende hartslag. Die tweede hobbel is de T-top.

| |
Vier fasen van een hartslag
A. De elektrische prikkel begint in de sinusknoop die zich bevindt in het plafond van de rechterboezem.
Duur: ongeveer 0.11 seconden of minder. Naam: P-top.
B. Daarna wordt de elektrische prikkel even opgehouden in de AV-knoop. Duur: 0.2 seconde.
Naam: PR-segment.
C. De elektrische prikkel verspreidt zich over de spierwand van de kamers, die daardoor krachtig
samenknijpen. Duur: 0.08-0.10 seconde. Naam: QRS-complex.
D. Herstelfase. Naam: T-top.
| |
Een ECG maken
Een ECG maken gaat snel en makkelijk. Eerst worden er elektroden op de huid geplakt. Bij een
uitgebreid ECG zijn dat er meerdere: twee op de polsen, twee op de enkels en zes op de borstkas.
Voor iemand die in een ziekenhuisbed ligt en wiens hartritme wordt geobserveerd, zijn
drie of vier elektrodes genoeg.
Waarom soms zoveel elektroden? Door de elektrische activiteit vanuit verschillende invalshoeken
te meten ontstaat er een beter beeld, want de elektrische prikkel verplaatst zich in een
bepaalde richting, van de sinusknoop rechtsboven naar de onderkant van het hart. Daardoor
geven de verschillende meetpunten verschillende resultaten, waaruit een geoefende ECGlezer
veel kan opmaken. De meetpunten hebben vaste namen: I, II , III en avr, avl, avf voor
de enkels en polsen en v1 t/m v6 voor de vaste meetpunten op de borstkas.
E en apparaat print de grafiek van de hartslag op ruitjespapier. Het kleinste vierkantje op het
papier is standaard één millimeter hoog en één millimeter breed. De horizontale afstand tussen
twee punten wordt bepaald door de snelheid waarmee het ruitjespapier door het apparaat
draait. In één seconde rolt het papier precies 25 millimeter verder. Een seconde is ongeveer de
duur van een normale hartslag, van het begin van de P-top tot en met het eind van de T-top.
De kracht van de elektrische prikkel wordt verticaal uitgedrukt in voltage, waarbij 10 millimeter
staat voor 1 millivolt.

Een ECG lezen
Een ECG geeft veel informatie, maar is niet makkelijk te gebruiken. Kleine afwijkingen van een
paar millimeter kunnen heel belangrijk zijn, opvallende afwijkingen juist weer niet. Het vereist
een geoefend oog om de informatie goed in te schatten.
Toch kan ook een geoefend oog het mis hebben en daarom is in de zogenoemde Minnesota-
criteria vastgelegd wat normaal is en wat niet. Een cardioloog kent die criteria van buiten.
Hartinfarct herkennen
Op een ECG is een acuut hartinfarct te herkennen aan een afwijking in het lijnstukje
tussen het QRS-complex en de T-top, ofwel het ST-segment. Dit lijnstukje is tijdens een hartinfarct
hoger dan normaal. Artsen spreken van elevatie van het ST-segment en maken onderscheid
tussen een hartinfarct mèt en een hartinfarct zonder elevatie van dit segment.
De verhoging van het ST-segment ontstaat doordat een deel van de hartspier geen zuurstof
meer krijgt als gevolg van het hartinfarct. Dat wordt zichtbaar door een verhoogde elektrische
activiteit in de herstelfase na het samentrekken van de kamers.

| |
Hartinfarct
ST-segment is verhoogd.
| |
ECG zonder afwijkingen.
| |
Pijn op de borst (Angina pectoris)
Als iemand pijn op de borst heeft, kan een dokter niet altijd direct zeggen of het gaat om
angina pectoris. De pijn kan ook worden veroorzaakt door iets anders dan een slechte
doorbloeding van de hartspier. Het ECG geeft belangrijke informatie voor de diagnose, vooral
als het gaat om de stabiele vorm van angina pectoris. Deze vorm doet zich alleen voor bij inspanning.
Iemand die zich met pijn op de borst meldt bij de dokter, zal dus waarschijnlijk
worden onderworpen aan een inspanningstest.
Wordt de pijn inderdaad door angina pectoris veroorzaakt, dan wordt dat zichtbaar tijdens de
inspanningstest. Op het ECG is tijdens de aanval het lijnstukje tussen het QRS-complex en de
T-top, het zogenoemde ST-segment, lager dan normaal. De dokter zal verder onderzoek verrichten.
Krijgt degene die de inspanningstest ondergaat geen last en blijft het ECG normaal,
dan is het risico klein dat de pijn op de borst wordt veroorzaakt door angina pectoris. Toch
kan de dokter om verschillende redenen besluiten tot verder onderzoek.

| |
Pijn op de borst (Angina pectoris)
ST-segment is verlaagd
| |
ECG zonder afwijkingen.
| |
Hartblock
Een hartritmestoornis is in de meeste gevallen te herkennen op een ECG. Een voorbeeld
van een hartritmestoornis is het hartblock. Een hartblock ontstaat als in het prikkelgeleidingssysteem de AV-knoop de elektrische prikkel niet meer geleidt van de boezems naar de
kamers. De kamers krijgen niet meer de prikkel die begint in de sinusknoop, maar trekken nog
wel samen. Hartspiercellen kunnen namelijk ook zelf een prikkel oproepen.
Bij een hartblock ontstaat de elektrische prikkel in de spiercellen van de kamers. Het gevolg
is dat boezems en kamers ieder in een eigen ritme gaan samentrekken. Op het ECG wordt dat
zichtbaar doordat de intervallen tussen de P-top (samentrekken van de boezems) en het qrscomplex
(samentrekken van de kamers) niet meer met elkaar samenhangen. De P-top en het
QRS-complex volgen niet meer op elkaar maar vertonen ieder een eigen ritme.

| |
Hartblock
De P-top (boezems) en het QRS-complex (kamers) volgen een eigen ritme.
| |
ECG zonder afwijkingen.
| |
Holteronderzoek
Sommige afwijkingen in de elektrische activiteit van de hartspier doen zich maar af en toe
voor. Op andere momenten is het ECG normaal. Daarom zal de dokter soms een Holteronderzoek
laten doen. Dit onderzoek is genoemd naar de Amerikaanse arts Norman J. Holter die
het voor het eerst toepaste.
Bij het Holteronderzoek brengt de laborant elektroden op de borstkas aan die worden verbonden
met een kastje dat degene die het onderzoek ondergaat langere tijd bij zich draagt.
Meestal duurt een Holteronderzoek 24 uur, soms zelfs 48 uur. Belangrijk is het bijhouden van
een dagboek. Zo kunnen eventuele afwijkingen in het ECG in verband worden gebracht met
wat iemand in die periode gedaan heeft en met de klachten die hij gehad heeft. Het resultaat
van een Holteronderzoek is een uitgebreid ECG met een minieme kans op het missen van
eventuele afwijkingen.
| |

| |
Een van de eerste experimenten met de registratie van de elektrische activiteit in de hartspier
door Willem Einthoven, de ontdekker van het ECG (begin twintigste eeuw).
|
Willem Einthoven
Het ECG als medisch onderzoek is in de eerste jaren van de twintigste eeuw ontwikkeld door
de Nederlandse cardioloog Willem Einthoven. Zijn invloed is nog merkbaar in de klinische
praktijk. Zo gebruikte Einthoven als eerste de letters P, Q, R, S en T voor de fasen van de hartslag
en bepaalde hij de plaatsing van elektroden op de borstkas. Voor zijn pionierswerk aan
het ECG kreeg Willem Einthoven in 1924 de Nobelprijs voor Geneeskunde.